darmen. i. serpent in vint

406


1ende vp sinen rugghe oec kint

ene cruke ende. i. rauen

vp sinen start hi maket van hauen

sinen draghere rike ende vroet

5ende quade coringhen hi tempren doet

War so. i. scip met zeile in staet

dats der coepmanne toe uerlaet

want hi gheuet hem gheual

war somen vindet houer al

10met. i. zwerde. i. man

dats die zeghe gheuen can

war datmen in siet stan den haren

hi beoudet die ere te waren

darmen in vindet enen swane

15hi uerdriuet de sware quartane

ende hem die de iucht versward

dar du in sies. i. gheulogelt part

hijs goet in wighe ende in tornoie

hi beoudet die parde van uernoie

20ende hi gheuet dapperheit ende moet

sagestu steen dar wijf in stoet

die hadde de hande nederward

ende vort aldus ghescard

ene trianghele vp hare houet

25sittende in setele des ghelouet

die gheuet troest ende ruste mede

na arebeit ende siechede

heuestu oec ghemaket ghesien

enen man knielende up die knien

30slande. i. lioen fier

jofte enech ander wonderlic dier

gheuet in allen striden zeghe

ghewerd wilhi sijn alle weghe

vintstu in. i. steen twe harne

35een serpent bi hem te waren

hi maket bequame diene hout

bequame den lieden starc ende stout

dus verre sagic int latijn staen

der ouder vroeder lieder waen

40die ic algader niet versteke

no oec houer wareit spreke

407


1want menne vindet der auctore niet

darment af bescreuen siet

Uort verstaet ende uernemet wel

dat. i. filosofe hetet tekel

5een iode dat hier uolget naer

van talien screef al ouer war

ende seget oec al sonder spel

dat die kindre van israel

dit makeden ende van desen dinghen

10doe si dor de wostine ghinghen

nochtan seget broeder albrecht

dat hi niet ne radet vor recht

datmen desen sal al gheloeuen

mar gode allene van hir bouen

15alsemen in jaspise ghesien can

met enen scilde enen man

ende met enen scachte mede

onder sine uoete dar ter stede

een serpent die heuet macht

20jeghen al datmen viande acht

dar du in sies enen vliegenden man

dies goet te coepmanscepen dan

Vindemen in enen crisout

een wijf die enen vogel hout

25ende in dandre. i. visch draghet

hem es hi goet die bodescap jaghet

eist datmen tortelduue vint

met enen telghe hi werdet ghemint

vander werelt ghemene

30die dragre es vandien steene

darmen in. i. steen bekent

sagittariuse iofte. i. serpent

alse ioften si onderlanghe streden

hi gheuet macht te vasten vrede

35Ujndemen in. i. witten steen

ene marminne houer een

jn deene hant. i. spegel nv gome

jn dandre. i. telch van. i. bome

die wil stan in goude fijn

40ende in die hant beloken sijn

sulke cracht segmen van dien

hine latet sinen dragre niet messchien

Alse in enen jaspre groene

408


1een cruce staet hijs vanden doene

dat sijn dragre niet ne mach

verdrinken nacht no dach

machstu in enen steen bekinnen

5enen basilicuse met ere merminnen

diene heuet troestem seker te sine

van allen beesten met venine

merke die noint in stene vant

nen man ende inde heene hant

10van. i. dieuel die ghedane

ende vreselic na sinen stane

gehornet ende gheulogelt beede

jn dandre. i. serpent ghereede

onder sine voete. i. liebart

15bouen desen figuren vpward

sullen stan sonne ende mane

dese begard in loede te stane

hi mede men duuele so uersaghet

dat si segghen datmen hem vraghet

20Ujntstu in iaspise. i. man

vpten hals. i. ghebont gras dan

jn selure moet sijn sine stede

want hi leert kennen alrande siechede

ende stelpet bloet in elker stede

25ende gheuet here ende wardechede

desen als ict bescreuen vant

droech galienus an sine hant

Uintstu in. i. swarten steene

enen man stande als ic meene

30jn sine rechtre hant gedreghen

ene ceptre alse coninghe pleghen

vp die luchtre hant enen uoghel

wide ontaen elken uloghel

een cocodrillus onder die uoete

35dese draghet gherechte boete

jeghen des viants toeuerie

ende uerdriuet sine partie

dar si de lieden hebben beseten

alexander wilmen weten

40droech desen sonder waen

ende hi wil in iser staen

Uintstu in enen swarten steen

een man sittende ouer een

409


1vp. i. lupart oudende. i. riet

dese ne latet quade beesten niet

sinen draghere comen an

vintstu ghemaket. i. man

5enen hase in sine rechtre hant

ene roede inde luchtre ets bekant

dat goudijn sal sijn sine stede

hi heuet macht te gheuene vrede

ende zeghe in ghedinghe

10jegen beesten doch hi sonderlinghe

jngromasine houer een

plegen tebbene desen steen

alse men in steene gheuinden can

ende vp thouet ghecronden man

15ende hi in de rechtre hant hout

enen ceptre na coninxs ghewout

jn de luchtre. i. palme rijs

onder sine voete stoel ofte lijs

jn goude salmen desen draghen

20want hi grote ere doet beiaghen

negheene dinc ne doet hi mede

na gode no warachteghede

hine comets houer weter ouereen

Alsmen vindet in enen steen

25ene boem ter rechter side dan

een wijf. enter luchter. i. man

die uersoent al sonder blijf

werringhe tusschen man ende wijf

alsemen. i. steen siet an

30dat inde rechtre hant heuet. i. man

ene lampde ende inde luchtre hant

eens wiues houet alsict vant

soe es hi die vrede beiaghet

mar diene houer heme draghet

35[alse] [hi] [slaept] [seghet] [tghedichte]

[menne] [canne] [niet] [ghewecken] [lichte]

[die] [in] [enen] [steen] [vint] [lesemen] [hier]

[enen] [ram] [ende] [enen] [stier]

[hijs] [goet] [tenen] [taleman]

40[ende] [hem] [diet] [water] [laet] [nochtan]

[vindemen] [enen] [man] [alse] [men] [ghewaghet]

410


1[die] [in] [de] [hant] [die] [sekle] [draghet]

hi beiaget gratie ende lieue

alsemen vindet seggen de brieue

. j. man inde hant. i. roede

5dies heren goet van houermoede

alsmen vint als endeals

. j. man. i. horen an den hals

hijs goet ieghen verwoethede

ende quade fantasie mede

10Alsmen oec gewinnen can

jn. i. steen alf osse alf man

die gheuet ghewin ende starc den sin

tallen dogheden int ghewin

vintstu in. i. steen als wijt horen

15een hasekin met hangenden oren

dies goet ieghen der beesten doon

vindemen in. i. steen. i. lion

hijs goet ieghen idrope ouer een

als men vindet in. i. steen

20enen capricornium ende. i. haren

dies goet

About this document

Basic information

Title Der Naturen Bloeme, handschrift D (Detmold)
Subtitle Literaire handschriften
Author Jacob van Maerlant
Genre verse
Subgenre artes, biology, metallurgy, natural history, science, secular
Fictionality non-fiction
Authenticity copy

Date

Date text witness 1286-1288
Date text 1271-1272

Localization

Localization witness West-Vlaanderen
Localization text

Edition

Title Corpus van Middelnederlandse teksten II
Subtitle Literaire handschriften
Editor Maurits Gysseling, Willy Pijnenburg
Volume II-2
pp. 3-416
Document ID 3000
Published Martinus Nijhoff, INT, 's-Gravenhage, 1981

Corpus

Corpus Corpus Gysseling
Subtitle Een verzameling van alle dertiende-eeuwse teksten die als bronnenmateriaal hebben gediend voor het Vroegmiddelnederlands Woordenboek
URL http://gysseling.corpus.taalbanknederlands.inl.nl/gysseling/page/search
Publisher INT
Publication date 1999

Editorial comments

(Cf. also Source description in the Dictionary of early middle Dutch)

Signatuur: Detmold, Lippische Landesbibliothek, nr. 70.

A. Origineel: niet voorhanden.

B. Afschrift: Handschrift D berust te Detmold, Lippische Landesbibliothek, nr. 70.

A. Origineel: niet voorhanden.

B. Afschrift: De fragmenten M berusten te München, Bayerische Staatsbibliothek, Cod. germ. 5249/79.

1. Inhoud van Der Naturen Bloeme

Der Naturen Bloeme, door Jacob van Merlant, is een vertaling, met uitweidingen (o.m. van moraliserende aard) en inkortingen, van een uitgebreide versie van het Liber de Natura Rerum, geschreven in het midden van de 13de eeuw door Thomas van Cantimpré. Ten onrechte schrijft Jacob van Merlant dit Latijnse werk toe aan Albrecht van Keulen (= Albertus Magnus).

Een nauwkeurige vergelijking van Der Naturen Bloeme met het Liber de Natura Rerum, dat eerst in 1973 uitgegeven werd door H. Boese (Thomas Cantimpratensis Liber de Natura Rerum, editio princeps secundum codices manuscriptos, Teil I: Text, Berlin 1973), behoort nog tot de desiderata.

Jacob van Merlant heeft het begin (over de anatomie van het menselijk lichaam en over de ziel) en het einde (over het weder, de planeten, de elementen) van het Liber de Natura Rerum weggelaten. De overgenomen hoofdstukken zijn, met de verzentelling in Der Naturen Bloeme: proloog, 1–158; I, 159–658: menselijke levensstadia en fabelachtige mensenrassen; II, 659–4692: viervoetige dieren; III, 4693–8368: vogels; IV, 8369–9471: zeemonsters; V, 9472–10607: vissen; VI, 10608–11485: slangen; VII, 11486–12539: “wormen” = insekten; VIII, 12540–13503: gewone bomen; IX, 13504–14145: specerijbomen; X, 14146–14851: geneeskrachtige kruiden; XI, 14852–15043: vermaarde bronnen; XII, 15044–16518: waardevolle stenen; XIII, 16519–16681: metalen.

Aan het Liber de Natura Rerum gaat een lange en ingewikkelde voorgeschiedenis, beginnend met Aristotiles, vooraf. Hieraan, en aan andere facetten van Der Naturen Bloeme, wijdden W. P. Gerritsen en zijn medewerkers waardevolle beschouwingen in: Jacob van Maerlant's Der Naturen Bloeme, Tentoonstelling (1 oktober 1970–1 februari 1971, Instituut de Vooys, Utrecht = Naar de Letter no 4).

2. Jacob van Merlant

In een van zijn eerste werken: Merlijn, opgedragen aan Alebrecht, heer van Voorne en burggraaf van Zeeland, stelt de auteur zichzelf voor als Jacob de coster van Merlant. In zijn Der Naturen Bloeme noemt hij zich Jacob van Merlant.

Uit het eerste element van zijn dubbele toenaam mag men opmaken dat hij uit een kostersgeslacht stamde of zelf deze functie uitoefende of uitgeoefend had.

In zijn ouderdomswerk Spiegel Historiael deelt de auteur over zijn wellicht ± 1263–64 geschreven Historie van Troien mede: wi maecten te Merlant. Zijn toenaam van Merlant dankt hij, eventueel ook reeds zijn vader of een verdere voorouder, dus aan een verblijf te Merlant. De o.m. door J. Noterdaeme geopperde hypothese dat Merlant te identificeren zou zijn met 1262 Matlant (waarvoor men ten onrechte Marlant las), landerij te Zuienkerke, is taalkundig onmogelijk; zie Corpus I 77 nr. 22. Merlant is het latere Maarland, bij Den Briel, op Voorne. In deze naam gaat ar (Marlant) met kustnederlandse evolutie terug op er (Merlant), dat zelf met umlaut ontstaan is uit ar (mari–land “land bij een waterplas”).

Een argument voor de stelling Merlant = Maarland levert Der Naturen Bloeme 3612 op, waar de auteur meedeelt dat hij er persoonlijk van op de hoogte is dat op Westvoorne geen rat(ten) kunnen leven.

Jacobs verblijf te Maarland verklaart, of is te verklaren door, zijn connecties met Alebrecht van Voorne, die als zijn mecenas optrad.

Vervolgens is Jacob van Merlant naar Vlaanderen verhuisd. Toen hij zijn tweede Martijn schreef, woonde hij te Damme, waar hij volgens een niet bewaarde grafsteen ook begraven werd. Overigens moeten er, blijkens zijn Alexanders geesten, denkelijk geschreven in 1258–60, voordien reeds relaties bestaan hebben tussen Jacob van Merlant en Bruxambocht of lieden daaruit afkomstig.

In Vlaanderen, dus denkelijk te Damme, schreef hij zijn Der Naturen Bloeme, zoals blijkt uit vers 10106: dat hier in Vlanderlant die hase heetet. Zijn verhuizing van Voorne naar Damme verklaart mede de wisselende terminologie voor zijn moedertaal, bv. DNB 5092 in onse Dudes (zoals in Holland), 7210 in onse Dietsch (de traditionele benaming o.m. in Vlaanderen), 4072 in onse Vlaemsch (een in die tijd opkomende benaming voor de moedertaal in Vlaanderen).

Te Damme of te Brugge zal hij van Noordduitse kooplieden vernomen hebben dat in Oostland (= Noord–Duitsland) een vaneel kievits heet (DNB 8185).

Hoewel te Damme gevestigd, bleef hij, voor zover bekend, voor Zeeuwse of Hollandse opdrachtgevers werken. Zijn Der Naturen Bloeme schreef hij in opdracht van heer Niclaus van Cats (DNB 149). Indien, zoals algemeen aangenomen wordt, de edel ionghelinc, die in DNB 7342 aangesproken wordt, hetzelfde personage is, dan is Der Naturen Bloeme denkelijk voor een groot gedeelte geschreven vóór, dat is kort vóór, 1272 (in welk jaar Niclaus van Cats, die in 1270 voor het eerst in oorkonden vermeld wordt en begin 1283 overleed, tot ridder geslagen werd) en is de proloog er in of kort na 1272 aan toegevoegd. Is dit juist, dan is Der Naturen Bloeme geschreven na de in 1271 voltooide Rijmbijbel, dus in 1271–72.

Later schreef hij bv. nog, op verzoek van de Minderbroeders te Utrecht, zijn leven van sinte Fransoys, en, in opdracht van graaf Floris V van Holland, van ± 1283 tot 1288, zijn Spiegel Historiael, zijn laatste groot werk.

De eerste miniatuur in het Detmoldse handschrift, vervaardigd te Brugge toen Jacob van Merlant nog leefde, stelt de geleerde schrijver voor rechtstaand, gehuld in een tot onder de knieën reikende blauwe mantel, met bruine puntlaarzen, in de linkerhand denkelijk een schrijftafel, de rechterwijsvinger opgeheven in een lerend gebaar.

3. Overlevering van Der Naturen Bloeme

Zelden is van Middeleeuwse dichtwerken het origineel bewaard. Ook van Der Naturen Bloeme zijn alleen afschriften bekend. Deze zijn tot twee families te groeperen.

Tot de eerste familie behoort o.m. het te Detmold berustende handschrift D van denkelijk 1287 en het te Brussel bewaarde, uit de abdij van Sint–Bernards te Hemiksem afkomstige, sterk verbrabantste handschrift B uit het eerste kwart van de 14de eeuw. Daar B niet een afschrift kan zijn van D, gaan beide via minstens één verloren gegane gemeenschappelijke tussenschakel terug op het origineel.

De tweede familie omvat twee subfamilies. Tot de eerste behoren o.m. de te München berustende fragmenten M uit het vierde kwart van de 13de eeuw en het te Leiden bewaarde handschrift L, waarvan M nochtans geen voorstadium is. Tot de andere behoren o.m. de te Den Haag bewaarde handschriften A en V. Bijgevolg liggen tussen het origineel en de fragmenten M minstens twee verloren gegane tussenschakels.

Een overzicht van bewaarde handschriften en handschriftfragmenten vindt men bij : A. van Panthaleon van Eck–Kampstra, Jacob van Maerlant'sDer Naturen Bloeme”, twee notities over handschriften (Het Boek 36, 1963–64, 222–232); J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken, Brussel 1970, p. 79 nr. 22; de reeds vermelde Utrechtse tentoonstellingscatalogus van 1970.

Alleen handschrift D en de fragmenten M, beide hier uitgegeven, behoren nog tot de 13de eeuw.

Der Naturen Bloeme werd, op grond van willekeurig uitgekozen tekstvarianten uit diverse handschriften en met een beperkt variantenapparaat, onvolledig (namelijk de verzen 1–9471) uitgegeven door J.H. Bormans, Brussel 1857. Tot vers 4436 werden er ook af en toe varianten uit D in opgenomen. Een volledige editie, op grond van handschrift L, met varianten uit B, A en V, bezorgde Eelco Verwijs, Leiden 1872–78.

4. Het Detmoldse handschrift

Handschrift D berust te Detmold, Lippische Landesbibliothek, nr. 70. De tekst van Der Naturen Bloeme, f° 8–141, is, behoudens enkele geringe toevoegingen of wijzigingen van diverse vrijwel gelijktijdige handen, geheel van één en dezelfde hand. Er gaat een quatern van een andere, vrijwel gelijktijdige hand aan vooraf, dat, na een ontbrekend folio, op f° 1 r° een paastafel en op f° 1 v°–7 r° een kalender behelst.

De paastafel vangt aan met het jaar 1287 en loopt door tot 1319.

De kalender behelst in de eerste kolom een reeks gulden getallen, in de tweede de dagletters, in de derde de dag volgens de romeinse kalender, in de vierde de feestdagen (geboden feestdagen in het rood, gewone feestdagen in het zwart), in de vijfde de dies egyptiaci of ongeluksdagen (in elke maand twee).

Bij het feesteigen vallen vooral op heiligen gevierd te Brugge en andere gevierd te Sint–Omaars.

Te Brugge: de geboden feestdagen van sint Donaes op 14 oktober en van sint Gielis op 1 september. Het betreft de patroonheilige van het Sint–Donaaskapittel en die van de Sint–Gilliskerk. Daarenboven sint Bavo, 1 oktober, een geboden feestdag niet alleen te Gent maar ook te Brugge.

In het bisdom Doornik nog: de geboden feestdag van sint Amand, 6 februari, en de gewone feestdagen van sint Arnoud (stichter van de abdij te Oudenburg), 16 augustus; sint Lievin (Gent), 17 augustus (is dit een fout?) en 12 november; sint Amelberghe (Gent), 27 oktober.

Te Sint–Omaars: de geboden feestdag van sint Omar op 9 september en de gewone feestdagen van sint Omar op 8 juni (translatie) en van sint Bertin op 5 september, 16 juli (translatie) en 2 mei (dit laatste berust denkelijk op verwarring met de op deze dag gevierde Bertramnus).

In het bisdom Terenburg (= Thérouanne) nog: de gewone feestdagen van sint Erkenbaut (bisschop van Terenburg), 12 april; Augustin (patroonheilige van de abdij te Terenburg), 28 augustus; Wulfram, 15 oktober; Winnoc (Sint–Winoksbergen), 6 november.

Verrassend is de in het bisdom Atrecht thuishorende geboden feestdag van sint Vedast op 6 februari en de gewone feestdag van dezelfde heilige op 15 juli (translatie).

Op grond van het feesteigen mag men aannemen dat de kalender een omwerking is, gebeurd in het kapittel van Sint–Omaars, van een Brugse kalender, of omgekeerd. Eerst- genoemde veronderstelling verdient de voorkeur blijkens enkele Franse vormen van heiligennamen: Fabien, Sebastien, Bride, Julien, Valerien, Urbain, Gervais of Gerves, Romain. In de tweede helft van de 13de eeuw ging immers de hogere stand te Sint–Omaars van Vlaamse eentaligheid over naar Vlaams–Romaanse tweetaligheid. Te Brugge zou men Franse namen vervlaamst hebben.

De conclusie ligt voor de hand dat oorspronkelijk aan het handschrift een Brugse kalender voorafging, die in het kapittel van Sint–Omaars vervangen werd door een nieuwe, meer aan het feesteigen van dit kapittel aangepaste kalender. Het Detmoldse handschrift werd dus geschreven te Brugge op bestelling van het kapittel van Sint–Omaars of van een lid van dit kapittel. 1287 kan het jaartal zijn van de weggenomen Brugse kalender en dus ook van het handschrift van Der Naturen Bloeme, ofwel van de in de plaats geschoven kalender van Sint–Omaars (in dat geval dateert het handschrift van kort vóór 1287), ofwel van beide.

Het eigenlijke handschrift van Der Naturen Bloeme, f° 8–141, bestaat uit 17 quaternen, dus telkens acht bladen. F° 79, dat de verzen 8577–8690 bevatte, en een niet in de 19de–eeuwse foliëring meegeteld blad tussen f° 113 en f° 114, dat de verzen 12701–12830 behelsde, zijn uitgescheurd. Uit f° 76 is een rechthoekig stuk, behelzend de verzen 8256–8258 met miniatuur en de verzen 8283–8293, weggesneden. Van het laatste quatern ontbreekt het op f° 141 volgend onbeschreven laatste blad. Het gehele handschrift is gevat in een denkelijk 18de–eeuwse perkamenten band op kartonnen borden.

Elk blad apart is aan de drie buitenzijden besnoeid, waarbij miniaturen gespaard werden doordat eromheen geknipt werd, waarna overblijvende uitstekende miniatuurdelen om- geplooid werden. In enkele zeldzame gevallen werd echter ook van miniaturen een stuk afgesneden. De aldus besnoeide bladen zijn 202 mm hoog bij 157 mm breed.

De bladspiegel bedraagt 172 bij ± 120 mm. Op elke bladzijde staan twee kolommen. Het aantal regels per kolom schommelt tussen 33 en 40.

Tussen het hoofdstuk over de viervoetige dieren en dat over de vogels is f° 46 v° tweede kolom en het gehele f° 47 onbeschreven gebleven. Tussen de overige hoofdstukken is, als ze niet op een nieuwe bladzijde of een nieuwe kolom aanvangen, een interlinie gelaten. Elk hoofdstuk, behalve het laatste over de metalen, begint met een grote veelkleurige sierletter, waarbinnen vaak een afbeelding van het soort van wezens voorkomt.

De beschrijvingen van elk apart wezen (mensenras, dier, plant, steen enz.) en andere onderverdelingen worden niet door een interlinie voorafgegaan, doch vangen aan met een gouden lombarde binnen een blauw (soms roze) vierkant, twee regels hoog, dat echter binnen de letter omgekeerd roze (soms blauw) opgevuld is, telkens gefiligraneerd.

De beschrijving van elk mensenras, van elk dier, van sommige bomen en stenen wordt geïllustreerd door een veelkleurige, doorgaans rechthoekige miniatuur met afbeelding van het bedoelde wezen, meestal een kolom breed en zes regels hoog.

Normaal staat elk vers op een afzonderlijke regel, zonder rijmpunt. Waar een miniatuur niet de gehele breedte van een kolom inneemt, zijn ernaast verzen geschreven die doorlopen doch van elkaar door een rijmpunt gescheiden zijn.

Tussen de eerste en de tweede letter van elk vers is er een spatie van anderhalve letter. De eerste letter is meestal een kleine letter, soms een hoofdletter.

Waar een geneeskundig recept aanvangt, staat in de marge vaak het woord nota (steeds afgekort: Na), zelfde hand.

Een tweede gelijktijdige hand heeft op het einde van sommige katernen onderaan een custode in cursief schrift toegevoegd.

In het handschrift is een papieren strook ingekleefd, wellicht uit een vroeger schutblad uitgeknipt, waarop staat: C.M.T. en eronder: Christoff Smerheim, hand 16de eeuw. Christoph Smerheim was burgemeester van Detmold van 1550 tot 1584, Christoph Schmerheim van 1616 tot 1627 (Geschichte der Stadt Detmold, herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen und Historischen Verein für das Land Lippe, Detmold 1953, p. 358). Dit zou erop wijzen, dat het handschrift zich reeds in de 16de eeuw te Detmold bevond.

Oudere literatuur over het handschrift: Mabmann, in Neues Jahrbuch der berlinischen Gesellschaft für deutsche Sprache und Alterthumkunde 7, p. 325–326. M.L. Petri, Jacob von Maerlant und Der naturen bloeme, ein Manuscript der öffentlichen Bibliothek in Detmold, Detmold 1853.

5. De Münchense fragmenten

De fragmenten M berusten te München, Bayerische Staatsbibliothek, Cod. germ. 5249/79. Ze hebben ongetwijfeld als schutbladen gediend.

Bewaard werden twee dubbele bladen, die tot een zelfde katern behoord hebben. Ze bevatten de verzen 8229–8400, 8718–8879, 9175–9334 en 9632–9796. De marges zijn sterk besnoeid. De overgebleven hoogte is 275 mm, de overgebleven breedte 190 mm. De bladspiegel bedraagt 260 bij ± 150 mm. Op elke bladzijde staan twee kolommen. Als er geen interlinies zijn, zijn er 45 regels per kolom. Bij de vouw van elk dubbelblad zijn er prikgaten.

De beschrijvingen van de verschillende dieren worden van elkaar gescheiden door een interlinie. Bij de aanvang van elke dierbeschrijving is een ruimte opengelaten, ongeveer een halve kolom breed en 3 à 6 regels hoog, denkelijk voor een combinatie van miniatuur en sierletter; alleen de representant is ingevuld.

Normaal staat elk vers op een afzonderlijke regel. Naast de opengelaten ruimten staan verzen die soms één regel, meestal echter twee regels beslaan.

Tussen de eerste en de tweede letter van elk vers is er een spatie van een halve letter. De eerste letter is doorgaans een kleine letter.

Het schrift is uit het vierde kwart van de 13de eeuw.

Onder aan de buitenkant van het buitenste dubbelblad is de inkt soms erg verbleekt. Het betreft de verzen 8264–8270, 8309–8315, 9724–9754, 9789–9796. Een aantal verbleekte woorden en letters zijn, vooral op de laatste bladzijde, door een hand die er niet veel jonger uitziet, met donkerder inkt overtrokken. In enkele zeldzame gevallen rijst daarbij twijfel aan de getrouwheid van de herschrijving.

De Münchense fragmenten werden voor het eerst geïdentificeerd door Jan Deschamps bij een bezoek aan de Bayerische Staatsbibliothek eind 1980.

6. Taalkenmerken

Uit de kalender blijkt, dat handschrift D geschreven werd te Brugge. Dit is in overeenstem- ming met allerhande taalvormen in D. Diverse taalvormen wijzen erop, dat ook M geschreven werd in noordelijk West–Vlaanderen, dus hoogstwaarschijnlijk te Brugge.

Daarnaast is er, zowel in het ene als in het andere handschrift, heel wat dat niet Westvlaams is en bijgevolg aan de dichter mag toegeschreven worden. Opvallend zijn vooral de vaak voorkomende pronomina hi, wi, (3de persoon pluralis) si; in beide handschriften zijn dit de normale vormen. In het Westvlaams, o.m. te Brugge, beantwoordt daaraan hie, wie, sie, en deze vormen komen sporadisch in D en in M voor, zodat ze als Brugse insluipsels mogen beschouwd worden.

Naast overwegend Dietsch komt in D soms Dudes, Dutsch voor ter aanduiding van de eigen taal van de dichter; de fragmenten M leveren alleen Diets(ch) op. Desgelijks treft men in D naast gewoon niewe, verniewen soms vernuwen aan.

Hollands–Noordzeeuwse vormen als Dutsch en nuwe, gecombineerd met de afwezigheid van beperkt Hollandse vormen en met het doorlopend voorhandenzijn van niet–West- vlaamse vormen als hi en wi, terwijl anderzijds de aan de dichter toe te schrijven taalvormen passen bij het Zeeuws (in zijn geheel of ten dele), maken het aannemelijk dat Jacob van Merlant wel degelijk uit Voorne afkomstig is, zoals door zijn toenaam gesuggereerd wordt.

Het is echter niet onwaarschijnlijk dat hij, waar zijn eigen Voorns dialect hem een keuze liet, bij voorkeur de zuidelijke variant aanwendde, althans in zijn Damse tijd.

Uit rijmnood evenwel hanteert Jacob van Merlant soms ook vormen uit andere dialecten, inz. Westvlaamse (bv. 8351:8352 drie: mie, 878:8785 ghewone: gone), zelden Brabantse (bv. 8794:8795 ghehouden: wouden) of Hollandse.

Vergelijking tussen D en M leert, welke taalvormen door de kopiisten ingevoerd werden.

Het prefix ge– verschijnt in D vaak als i–, y– naast gewoner ghe–, bv. iliket, yspect, ytrecken, ymoet, ydaen, ysien, ystart, ylovet, ynomen, yleren, tegenover M gheliket, ghespect, ghetrecken, ghemoet, ghedaen, ghesien, ghestaerd, ghelovet, ghenomen, gheleren. De prefixvorm i– is Westvlaams en werd door D ingevoerd.

D heeft steeds wert “wordt”, M doorgaans wort, in vers 9635 echter eveneens wert. De vorm wort mag als een Westvlaams insluipsel beschouwd worden; cf. Corpus I 561 wort te Brugge.

Desgelijks zal het ene worpt voor werpt in M 8842 Westvlaams zijn; cf. Corpus I 824 worpt te Brugge.

D heeft steeds curt, M cort. De vorm curt, die veeleer westelijk Oostvlaams (Gent, Oudenaarde) aandoet, mag denkelijk aan de kopiist worden toegeschreven.

D en nog meer M hebben vaak cam in plaats van quam, in vers 8737 zelfs allebei cam, doch in vers 9707 allebei quamen. De vorm cam mag als een Westvlaams insluipsel beschouwd worden.

D gaat uiterst wispelturig om met de h, M daarentegen heeft slechts zelden onetymologi- sche of weggelaten h. In het Voorns wordt de h nog uitgesproken, in tegenstelling met het Zeeuws verder zuidwaarts en met het West– en Oostvlaams.

M schrijft veel vaker dan D ar, aer uit ouder er, bv. M warelt, suaerde, daerde, tegenover D werelt, swerde, derde.

De uit Germaans ai ontstane klank wordt in open lettergreep in D vaak ee geschreven, in M e.

De in die tijd nog zeldzame spelling ouc voor ouder oec (bv. in bouc) komt in M meer voor dan in D.

Opvallend is tenslotte dat D veel meer samengetrokken (proclitische, enclitische) vormen heeft dan M. Vermoedelijk staat M hier dichter bij het origineel.

7. Wijze van uitgeven

Dit corpus bevat alleen diplomatische uitgaven van teksten die in een 13de–eeuwse of oudere hand tot ons gekomen zijn. Aan de door W.P. Gerritsen in zijn tentoonstel- lingscatalogus geuite wens om een volledig variantenapparaat uit alle bekende handschriften mee op te nemen, of aan die van M.J.M. de Haan (Enige aspecten van de tekstkritiek van Middelnederlandse teksten, Leiden 1973, p. 76) om een kritische, d.i. gereconstrueerde tekst van Der Naturen Bloeme te bezorgen, kon dus principieel niet voldaan worden. Een grondige studie van de taal van Jacob van Merlant, grondslag voor een kritische uitgave, zal overigens eerst kunnen aangevat worden als ook het oudste handschrift van de Rijmbijbel in het volgende deel van dit Corpus zal uitgegeven zijn.

Helaas zijn reeds de oudste, hier uitgegeven handschrift(fragment)en D en M door onoplettendheid van de kopiisten op vele plaatsen onverstaanbaar of onbetrouwbaar. De gebruiker heeft recht op een verstaanbare en betrouwbaare weergave althans van de inhoud van de tekst. Daarom worden bij handschrift D voor storende afwijkingen emendaties in voetnoot voorgesteld. Deze emendaties steunen op vergelijking met de handschriften B, L en A–V zoals ze door Verwijs uitgegeven werden, en met de fragmenten M enerzijds, en op confrontatie met het Latijnse model in de uitgave van Boese anderzijds.

Eveneens om de tekst begrijpelijk te maken, werden in D overgeslagen verzen alsmede door latere gebruikers van dit handschrift uitgescheurde of weggesneden tekstdelen tussen [] gereconstrueerd.

De tekst van M daarentegen wordt zonder emendaties bezorgd; de lezer beschikt immers ook over de tekst van D.

In D waren de verzen 13878–14061 eerst door de kopiist overgeslagen; ze werden nadien op een verkeerde plaats, namelijk tussen de verzen 14245 en 14246 ingelast. Ze worden in onderhavige uitgave naar hun juiste plaats overgebracht.

Met het oog op groter gelijkvormigheid worden alle gewone beginletters van verzen tot kleine letters genormaliseerd.

8. Dankbetuiging

Mijn oprechte dank gaat allereerst naar Dr. Jan Deschamps, die mij in 1971 over de vroege datering van het Detmoldse handschrift inlichtte en mij zijn beschrijving daarvan ter hand stelde, en die mij eind 1980 de door hem geïdentificeerde Münchense fragmenten sig- naleerde en mij door de Bayerische Staatsbibliothek vervaardigde foto's liet gebruiken.

Vervolgens naar Dr. Hellfaier, directeur van de Lippische Landesbibliothek, die mij in 1972 een kleurenfilm van handschrift D toestuurde. Eveneens naar Dr. Karl Dachs, directeur van de handschriftenafdeling van de Bayerische Staatsbibliothek, die mij foto's van de Mün